| Regalia algemeen
In het Nederlands taalgebied heeft Regalia [stam<Lat. rex, koning] een andere betekenis. nl.: In het Frankische rijk waren dit de rechten die toekwamen aan de koningen en hun rechtsopvolgers. Na het verdwijnen van dat rijk (9e eeuw) verwierven de landheren geleidelijk deze rechten binnen hun gebied. Op hun beurt verleenden zij delen ervan, ook weer onderverdeeld, aan anderen. Tot
de Regalia
behoorde in de eerste plaats het recht om overheidsgezag uit te
oefenen. Behalve
de genoemde rechten behoorde tot de regalia o.m. het recht op
de bevaarbare stromen, met het daaruit vloeiende recht van opwas,
visrecht, veerrecht, tolrecht, enz. op die stromen;het recht op de
heerwegen, met het recht tot heffing van tol daarop. Het recht op
onbeheerde woeste gronden d.i. het zgn. wildernisregaal, het recht op
de nalatenschap van vreemdelingen of op een deel daarvan en
hetzelfde recht t.a.v. nalatenschappen van bastaarden enz. De
benaming regalia
wordt enkel nog gebruikt voor die financieel voordeel afwerpende
rechten, die de staat toekomen krachtens het publieke recht, maar die
geenszins een wezenlijk bestanddeel vormen van het staatsgezag, wat
de hoogheidsrechten wel doen.
Regalia in moderne zin zijn bv. het Post- en Telegraafregaal en in verscheidene landen het Tabaksregaal en het Brandewijnregaal. Waarbij men dus zou kunnen spreken van een staatsmonopolie. De verbinding om met het woord Regalia te verwijzen naar de uiterlijke kentekenen van de dragers of uitvoerders van dergelijke rechten moge duidelijk zijn. |
|